Poëzië
november 29th, 2011 § Geef een reactie
In het gepalaver dat nu en dan camouflerend poëziedebat in Nederland en Vlaanderen wordt genoemd, tekent zich een vreemde tendens af. Er wordt zowaar aan poëziepolitiek gedaan. En dan heb ik het niet over een simpele ik-heb-mijn-overtuiging-jij-de-jouwe situatie. Nee, het lijkt erop dat wat we vroeger wel eens poëzielandschap durfden noemen, uitgegroeid is tot een waar Poëzië – de poëmenstaat. De aandachtige lezer kan hier en daar duidelijke partijpolitieke strategieën ontwaren en een beetje analist moet stilaan in staat zijn volledige programma’s te (re)construeren.
Poëzië. Het zou er zo kunnen uitzien.
Het staatshoofd heeft een voornamelijk ceremoniële functie. Het is iemand met een lange staat van dienst in de dichterswereld. Iemand met charisma. Een pure leider. Hij weet wat de actieve en passieve poëzieliefhebbers – zijn burgers – van hem verwachten. Zijn foto hangt boven de schrijftafel van iedere dichter. Hij is de bezitter van de antwoorden.
Maar natuurlijk doet het staatshoofd het werk niet meer zelf. Daarvoor is hij te vergeetachtig; daarvoor is hij te bovenmenselijk. Hij laat zich gewillig assisteren door zijn regering en parlement: een allegaartje van welbespraakte literatoren van divers pluimage. Een enkele interessante parlementaire vraag en daaropvolgend debat niet te na gesproken is het echter een gebakkelei van jewelste in de Schrijfkamer. In sublieme, wollige en van de nodige intellectuele opsmuk voorziene bewoordingen worden de verwijten naar elkanders fotogenieke dichtershoofden geslingerd.
En dan hebben we het nog niet over de dissidenten die af en toe een bompakket laten afleveren in de Poëziewetstraat. Een bompakket dat later weer vals blijkt te zijn. Of de terreurorganisaties die ook deze prachtige staat niet sparen. Sommige dreigbrieven zijn zelfs niet geschikt voor publicatie.
Gelukkig kan de Poëzische burger beroep doen op een reeks getalenteerde politieke verslaggevers die de verschillende partijen evenredig aan het woord laten, die de stand van lopende zaken bijhoudt en die zich soms zelfs waagt aan een visionair opiniestuk.
Een prachtig oord, is het niet?
Alleen, Poëzië dreigt in een diepe crisis te belanden. Sommigen voorspellen nu al haar einde. Eén ding staat vast: er zal snel een oplossing moeten bedacht worden voor het probleem dat iedere Poëziër bezighoudt. Beter vroeg dan laat moet er een tekst gevonden worden voor het Poëzische volkslied.
Het zal wellicht te maken hebben met mijn nationaliteit, maar ik krijg spontaan onaangenaam geurende oprispingen bij het observeren van deze partijpolitieke ontwikkelingen in de wereld van de Nederlandstalige poëzie. Poëzie heeft geen staatshoofd nodig, geen regering, geen enkele politieke structuur. Poëzie heeft dichters nodig. En lezers.